Blog: Wonen, hoe doe jij dat?

Woonwensen, iedereen heeft ze. Als interieuradviseur weet ik hoe woonwensen verschillen van mens tot mens. Een fascinerende verzameling verhalen.

Wonen, hoe doe jij dat?
30 augustus 2013,
Een groeiende verzameling verhalen en verhaaltjes over wonen.

Wonen, hoe doe jij dat?” is een steeds groeiende verzameling verhalen en verhaaltjes over  wonen.

Hoe organiseren we ons wonen? Welke invloed heeft  wonen op ons leven? Welke keuzes maken we? Waarom?  Het fascineert me. Dat is één van de redenen waarom ik voor mijn werk als interieuradviseur gekozen heb. En dat is ook de reden voor deze verzameling.

Wil je ook een stukje schrijven? Doen! Mail het dan naar info@emma-interieuradvies.nl

 

nieuwste verhaal

Tantalie
Als kind leefde ik in een netjes maar saai huis.  Bij mijn tante Alie in Loosdrecht vond ik als klein meisje de sfeer die  ik zocht in een huis. Zwier en levenslust, muziek, jazz. Een kleurige Spaanse shawl over de vleugel. Een foto van Louis Armstrong op de kalender. Bloemen, grote vazen bloemen. Woeste schilderijen. Overal stapeltjes boeken en veel mooie dingen van overal vandaan.
Dat mijn tante Alie zelf een nare tante bleek kon niet deren. De sfeer van het huis sprak me enorm aan. Het huis waar ik nu alweer 30 jaar woon ademt precies die sfeer, maar dan  gelukkig zonder Tantalie zoals ik haar noemde.
En weliswaar niet grenzend aan de Loosdrechtse plassen, maar daar heb ik wat op gevonden. Een klein optrekje aan een binnenmeer vlak bij Amsterdam. Compleet met ministeigertje, bootje en riet, futen, grutto’s en eendjes…
Jeannine van Dam

 

verhalen van eerder

Java eiland
Ik heb vaak maar wat gewoond. Aan pleinen, grachten, kaden, parken, wallen, ik vond het allemaal best. Pas sinds vorige jaar weet ik hoe wonen echt kan zijn. Woongeluk blijkt samen te vallen met uitzicht, misschien wel je beste laatste vriend. Bij ons boven, op zes hoog, ben je binnen meer buiten dan je buiten was. Op tien minuten van hartje Amsterdam, wonen wij in het water en in de wolken, met de vogels en de vissen, in het weer en in de seizoenen, tussen hijskranen, rijnaken, duwbakken, salon- en cruiseboten en allerhande klein goed.
Aan de zuidkant, over het water, ligt de stad met het Lloyd hotel en de gedurfd vormgegeven nieuwe woonblokken, de verfomfaaide havenloodsen en opgekalefaterde pakhuizen. Op het noorden, draait de tram op het plein en steekt het pontje van wal naar Noord en Waterland, over het druk bevaren IJ met Kompaseiland en scheepswerf. Als het hier stormt, sneeuwt  of onweert, onweert , sneeuwt en stormt het ook. Op ons onstuimige eiland in het IJ is alles elke dag anders, voel je dat je nooit uitgekeken kan raken – hallo knobbelzwaan, goede nacht uitspansel – en weet je weer dat je leeft. O, Hoogkade, o, Bogortuin, verwacht geen an’dre Heer.
Jan Haasbroek

 

Licht, lucht en water
Wij wonen nu ruim 4 maanden in ons appartement in Amsterdam.  Dit was onze 15e en hopelijk laatste verhuizing.
Hoe maak je wonen overal weer plezierig?
Dat is door een woonruimte te kiezen (als er te kiezen valt!) die bij je past. Als je er binnen stapt moet je het gevoel hebben, ja, hier zou ik me thuis kunnen voelen.
Eėn van de belangrijkste zaken waar ik op let bij de keuze van een huis is LICHT.
Licht geeft een gevoel van ruimte,  daar word ik snel vrolijk van.
Donkere huizen doen dat niet. Als je je al niet opgewekt voelt, dan wordt dat door een sombere omgeving nog versterkt.
Een connectie met BUITEN is ook belangrijk. En dan hoeft dat niet eens te betekenen dat ik veel buitenruimte nodig heb, maar wel dat ik de LUCHT goed kan zien. Lucht is levendig en vertelt je iets.
Vanuit ons huis nu, kan ik naast lucht, ook nog WATER zien, en ook water is levendig: beweegt, schittert, weerspiegelt.
In de meeste huizen waar ik woonde kon ik vanachter het aanrecht naar buiten kijken, dat is dus ook iets waar ik op let bij het zoeken naar een huis.
Dus als het binnen “goed voelt” en  de connectie met buiten er is die voor mij nodig is, dan zijn dat heel belangrijke ingrediënten om me thuis te voelen.
Marijke Meyer

 

Binnen – buiten
Voor mij is het belangrijkste van een woning de relatie met de omgeving. Binnen wonen, terwijl je het gevoel hebt buiten te zijn, en omgekeerd: buiten, als verlengstuk van de binnenruimte. Cruciaal hiervoor is de entree en het gebruik van de ruimten ervoor en erachter. Ik vind het prettig als deze zó zijn ontworpen en ingericht dat je lekker kunt ‘heen en weren’ zonder het gevoel te hebben een grens over te gaan en telkens een andere wereld te betreden.
Met het klimmen der jaren heb ik mijn woonsituatie drastisch veranderd. Ik ben veel kleiner gaan wonen. Ik woon nu op een kleine woonboot, en heb de inrichting teruggebracht tot basic. Dat bevalt uitstekend; geen ballast, heel overzichtelijk, een eigen manier van ‘ontzorgen’.
Aan mijn eis van de entree heb ik geen concessies gedaan. Je komt via het achterdek het scheepje op en dat achterdek is gedeeltelijk overhuifd, een heerlijk terras. Een goeie bank en tafel. In deze sfeer van half binnen en half buiten breng ik heel wat uurtjes werkend en mijmerend door. Uitzicht op de rust of juist op de drukte op het water. Bij regen kan ik dankzij de overkapping van het terras mijn deur open laten staan en binnen aan tafel genieten van alles wat het buitenleven biedt. Midden in de stad.
Els Paalman

 

Deur
Georges Perec, uit: Ruimten rondom
De deur breekt de ruimte, snijdt die in tweeën, blokkeert osmose, dwingt beslotenheid af. Aan de ene kant: ik en de plek waar ik thuis ben, het huiselijke, het private (de ruimte die is volgeladen met mijn eigendommen: mijn bed, mijn vloerbedekking, mijn tafel, mijn schrijfmachine, mijn boeken, mijn losse nummers van La Nouvelle Revue Française…), aan de andere kant: de anderen, de wereld, het openbare, het politieke. Van de ene naar de andere kant bestaat er geen glijdende, geleidelijke overgang, je gaat niet zomaar van de ene naar de andere kant, noch in de ene, noch in de andere richting: daarvoor is een wachtwoord nodig, je moet een drempel over, je moet uit je tent komen, je moet communiceren, zoals een gevangene communiceert met de buitenwereld.

 

Bootje
We woonden op een heel klein bootje dat, met water in het ruim, nog net bleef drijven op het water van de Da Costa Kade, in Amsterdam. We waren een jong stel. We hadden geen van beiden ooit samengewoond. Drie en een half duizend gulden hadden we voor dit drijvende huis betaald, dat met een stuk touw aan een boom vastlag. Iedereen kon dit huis stelen, niemand haalde het in zijn hoofd. Soms schoot de boot dertig centimeter naar beneden: dan had een auto een wiel op ons dak geparkeerd. De chauffeurs schrokken er meer van dan wijzelf. Twee en een halve meter breed, zeven meter lang, het hele pand, maar je kon er rechtop in staan. Er was een gasstel met twee pitten, we kookten uitgebreide maaltijden. Er was een chemische plee, die we af en toe, stiekem, ’s nachts in de gracht leeggooiden. We hadden een slaapkamer. En: het was een vrijdrijvend huis. Het is gek, maar echt waar: op water wonen geeft je een gevoel van vrijheid. Helemaal op onszelf, op de golven, en ’s zomers de zwanen die hun hals naar binnenstaken, bedelend om een stuk brood.
Bob van Zetten

 

Kangaroo
Wonen, hoe doe jij dat? Een vraag die ik me dagelijks stel, nu een nieuwe levensfase is aangebroken en ik het wonen in mijn eentje vorm ga geven. Blijf ik in de eengezinswoning met zijn vijf slaapkamers en voor- en achtertuin (op het zuidwesten!) of verruil ik dit voor iets anders. Naast de complexe afwegingen die te maken hebben met de historie van dertig jaar in dat huis wonen, met de sociale context en met vragen als wordt het stad of platteland, dringt zich ook de vraag op van ‘hóe wil ik nou eigenlijk wonen’. IJkpunten daarin zijn voor mij ‘ruimte binnen en buiten’ en ‘licht/glas’. Het lijkt uit te komen op een ruim appartement met groot balkon op het zuidwesten, in de stad.
Ik merkt dat ik in de uitwerking een bepaalde  woning voor ogen heb. Als ik aan ideaal wonen denk zit het beeld in mijn hoofd gebakken van die ene woning op de Holterberg waar ik steeds langsreed op weg naar mijn moeder. Ik zoek het op en het blijkt Huize Geerlings te zijn, gebouwd door Rem Koolhaas. Nu ik het lees spreekt ook het beeld van de omgekeerde kangaroe-woning me aan: niet de ouder die een onderkomen heeft bij het huis van een van de kinderen, maar  andersom, de ouder die bij zijn huis een onderkomen heeft voor tijdelijke bewoning door een kind. Geweldig!
Wanneer ik dit naar mijn eigen realiteit terug transformeer dan zie ik me uitkijken over een stuk vrije ruimte, park of rivier, in of bij de stad. De verbinding tussen stad en (platte-)land moet zo bij mij in huis plaatsvinden. Het beste van twee werelden.
Ben Slijkhuis

 

Perspectieven
Sinds onze redelijk kleine etage verbouwd is kijk ik anders naar mijn Thuis. Ik ben me veel meer gewaar van de vele perspectieven die mijn thuis heeft. Kan in een staar-modus elke keer weer op een andere plaats in het huis gaan staan en enorm genieten van alweer een ander perspectief. En elke keer genieten van weer een andere lichtinval. Door de verbouwing werd ik attent op diagonale zichtlijnen. Ook die betrek ik bij het steeds veranderende perspectief. Heerlijk.
Vroeger was mijn droomhuis de villa van Pippi Langkous. En dat is het nog steeds. Grappig dat ik die droom niet hoef te verwezenlijken: Een houten tuinhuis waar we 5 maanden in het jaar wonen, een paard bij een rommelboerderij waar ik zeker 4x per week kom en de etage met vele perspectieven zijn samen erg goede alternatieven!
Carla van der Meijs

 

Wonen doe je altijd
Wonen doe je altijd. En overal. Je kunt niet zonder. Wonen doe je in een huis, in een kamer, in een tent, in een hotelkamer of desnoods onder een brug in een kartonnen doos. Wonen doe je in de straat, in de wijk, in de stad.
Op zoek naar een nieuwe woning zag ik een leeg appartement. Bouwvakkers waren bezig om de sporen van de vorige bewoner uit te wissen. Ik maakte een rondgang over kale vloeren, manoeuvreerde tussen verfblikken, gereedschap en een trapleer, en zag dat dit de woning was die ik zocht. Veel licht, goed ingedeeld en met mogelijkheden om een werkruimte in te richten. Een balkon met zon en gelegen in een mooie buurt. Na verhuizing en verovering paste de woning mij als de winterjas die ik jaren geleden op het Waterloo plein had aangeschaft.
Rogier Fokke

 

Klein huisje
Ik heb altijd een zwak voor kleine huisjes gehad.
Toegegeven, hoge ruige muren, dikke balken en strakke diepe ruimten en dan liefst nog een grote tuin daar omheen… fantastisch!  Maar om in te wonen zoek ik toch naar klein en intiem. Dat is altijd zo geweest. Als meisje tekende ik al kleine huisjes, altijd met een rokende schoorsteen en een paadje dat er naartoe leidde. Steevast  ramen met luiken ervoor en een rood pannen dak. Het gaf me een veilig gevoel te bedenken dat ik in zo’n huisje zou wonen en ik kan me niet herinneren dat ik dan dacht aan meer mensen dan alleen aan mijzelf.
Nu is het zo dat ik al een groot deel van mijn leven, dat met mijn 65 jaar toch echt al wel ruim de helft gepasseerd is,  inderdaad alleen woonde. Een keuze – geen noodlot, eerder een uitdaging.
De verhouding tussen mijn behoefte aan geborgenheid en mijn nieuwsgierigheid naar het leven in de buitenwereld is blijkbaar prettig in balans wanneer ik het mij in een kleine ruimte comfortabel maak. Overzicht, intimiteit en praktische overwegingen spelen daarin een belangrijke rol.
Binnen ben ik voortdurend op zoek naar de juiste verhoudingen. Buiten wandel ik door de wereld met zo weinig mogelijk voorbehoud. Ik reis graag en zoveel mogelijk, maar heb het ook altijd weer prettig gevonden om terug te keren naar die door mij zo zorgvuldig gecreëerde sfeer van mijn woning.  Wél altijd  weer even spannend: voldoet mijn huis nog steeds aan mijn verwachtingen? Herken ik het nog?  Hoe voelt mijn eigen ruimte?
Marina Braun

 

Keuken
Philippe Claudel, uit: Geuren.
Ik hou ervan om in keukens te schrijven en te lezen. Voor mij zijn ze een essentiële plek, eenvoudig en ongedwongen, mijlenver van iedere stijfheid en plechtstatigheid. Je hoeft er geen toneelstukje op te voeren, geen sociaal spel te spelen. Keukens weten wie we echt zijn.
Ze zien ons ’s ochtends met een door de nacht uitgekauwd gezicht en ’s avonds na een veel te lange dag, als we onze waakzaamheid laten verslappen, onze riem losmaken en onze zwaktes laten zien.

 

Linoleum
Met mijn voeten op het koude linoleum van mijn slaapkamer beland ik onverhoeds in 1959.
Op 23 juni vaart een passagiersboot van de KNSM over de Surinamerivier. Op die boot zit ik met mijn ouders en jongere broertje.  Na een paar weken vinden mijn ouders een bungalow met een grote waranda. Met een  stenen vloer die koel is aan je blote voeten. Die vloer is akelig. Anders dan thuis in Amsterdam.  Vaak hang ik rond op de waranda. Alleen. Totdat er aan het hek een Hindoestaans meisje staat.
‘Meisje kom horen’, roept ze luid.
Ik kom.
‘Meisje kom je bij me spelen?’
Dat doe ik. Op haar kamer spelen we prins en prinses. We krijgen roti met kruidige kip van haar moeder.
Als ik thuis kom glanst de stenen vloer me tegemoet. Ze is warm geworden. Zomaar ineens, omdat ik nu een vriendinnetje heb.
Ik wil andere vloerbedekking hier, denk ik, niet dat koude linoleum.
Wilma van Spijker

 

Ik hou van mijn bed
Georges Perec, uit: Ruimten rondom
Ik hou van mijn bed. Ik hou ervan om languit op mijn bed te blijven liggen en met bezadigde blik naar het plafond te kijken. Daar zou ik graag het gros van mijn tijd (en vooral van mijn ochtenden) aan besteden, als andere, dringender geachte bezigheden (het zou langdradig zijn er een lijst van op te stellen) dat niet zo dikwijls verhinderden. Ik hou van plafonds, ik hou van moulures en rozetten: vaak spelen die voor mij de rol van muze; de vervlechtingen van stucversiersels roepen moeiteloos het soort doolhoven op dat door fantasiebeelden, ideeën en woorden wordt gevlochten. Maar om plafonds bekommert men zich niet meer. Ze worden hopeloos rechthoekig gemaakt of, nog erger, uitgedost met echte namaakbalken.

 

Drie keer verhuisd
Toen ik hier kwam wonen, stond er achter in de woonkamer, dwars voor de keuken, een lange hoge donkerbruine bar, waar je op hoge krukken aan kon zitten. Een mannending. Bier drinken terwijl je met de keukenmeester praat. Mijn werktafel stond aan de linkerkant daarvan, aan de rechter kant van de bar was een deur, voor het geval je van de keuken de kamer in wilde.  Je liep dan tegen de rug van een hoekbank op, die deels de kamer in keek en deels overdwars keek, naar  mijn werktafel en de open haard. Toen kocht ik een televisie. Die zette ik  op de plek van mijn werktafel, zodat ik er vanaf de hoekbank naar kon kijken. De werktafel zette ik in de tegenovergestelde hoek van de kamer aan het raam, daar was het lekker licht. De barkrukken zette ik op straat, onder de bar maakte ik een boekenkast. Er zat toch nooit iemand. De boeken en de keuken vormden een mooi contrast met elkaar. De bar functioneerde als doorgeefluik. Daar bleef altijd veel rommel liggen.  Na verloop van tijd werd de hoekbank oud en deed ik hem weg. Ik verving hem door een rechte bank , die veel dieper was, zodat je er, met je schoenen uit, in weg kon kruipen. Daarna liet ik de bar, en de deur daarnaast, weg halen wat een hoop ruimte gaf. De televisie deed ik ook de deur uit, dat gaf rust. De boeken, die nu verloren midden in de kamer stonden, borg ik op in drie verticale zuiltjes op verschillende plekken langs de muur. Boekenstapels in plaats van boekenrijen. Doordat de bar weg was kwam er naast de keuken een stuk gang vrij: daar zette ik mijn werktafel, terwijl ik aan het raam, op de plek waar de werktafel had gestaan, een piano neerzette. Ik woon nog steeds in hetzelfde appartement, maar eigenlijk ben ik drie keer verhuisd.
Warner van Wely

 

Stil
Ik vind het het belangrijkst dat het ’s nachts stil is, en dat is het meestal. Stil voor een plek midden in de stad. Overdag zijn de stadse geluiden een welkom teken van leven. Vliegtuigen vliegen over wanneer het stormt, een buurvrouw oefent haar stem, en er klinken sirenes.
Ik ben het meest gehecht aan het uitzicht. Het is een spel van vloeiende verandering en ritmes en het is heel ruimtelijk. Water en lucht maken dat het altijd dynamisch is. Het verkeer van boten over het water en de bussen, auto’s, fietsers en voetgangers over de bruggen bepalen het ritme. Futen duiken naar vissen, zwanen komen om brood.
De woning zelf heeft gewoon alles wat ik nodig heb: een plek om te koken, te slapen, te eten, te werken en een mogelijkheid voor de katten om naar buiten te gaan.
Mieke van Hemert

 

Muziek
Het belangrijkste aan mijn appartement vind ik dat ik er op ieder gewenst moment van de dag muziek kan maken. Ik wilde me daarin vrij voelen. Ik heb dus veel geld gestoken in geluidsisolatie en het is gelukt. Zo goed zelfs dat als één van mijn vrienden om 12 uur ’s nachts hier saxofoon kan spelen, geen probleem.
Na de verhuizing was het ook zo heerlijk stil in huis, want de geluidsisolatie hield ook geluid weg dat van buiten kwam. Ik zat dan ’s avonds op de bank en hoorde helemaal niets. Ik had er helemaal
niet aan gedacht, dat het ook omgekeerd zou werken.
Sadhu

 

Wonen en werken
Mijn opa en oma hadden een familiebedrijf; een bakkerij, annex kruidenierszaak, annex lunchroom. Als kleutertje werkte ik daar al met iedereen mee. De keuken vormde het zenuwcentrum van de familie en het bedrijf. Oma voerde er de scepter.
Ik ben uiteindelijk fysiotherapeut geworden en geen bakker, maar het idee van wonen en werken op één locatie (nog geen 100m2) en dit op efficiënte wijze realiseren, heb ik ook toegepast. Ik heb een eengezinswoning in de binnenstad van Amsterdam, ik voer daarin praktijk met 4 andere collega’s en ik woon er zelf. In de behandelkamers is op handige wijze bergruimte voor oefenmateriaal gemaakt. Het kantoor is van goede ICT voorzien en bij uitbreiding van de praktijk is de inrichting van het kantoor daar weer even flink op de schop gegaan en aangepast.
Voor de vormgeving van alle ruimtes heb ik de samenwerking gezocht met Joke Stephan. Bij interieuradvies is haar motto: “Een huis dat leeft: rust, ruimte en avontuur”. Vandaar.
Samen met Joke heb ik vormgegeven aan een compacte privéruimte voor wonen, luieren, studeren en administreren. Dat is “De Japanse Kamer”. In deze kamer met geheel eigen stijl leef ik op geheel eigen wijze. Het leuke is dat niemand snapt waar ik nu eigenlijk slaap. Ik slaap in de Japanse Kamer, maar als ik logés heb, bijvoorbeeld mijn volwassen kinderen, mogen die daar slapen. Ik vind het leuk dat ik dan uit de wand van het “kantoor” mijn bed en beddengoed tevoorschijn kan halen en als een roos slaap in de nu voor het
slapen omgetoverde kamer.
Zo is het fijn wonen en werken. Ik voel me thuis in mijn bedrijf.
Gertrud Pijnenburg
MSc Fysiotherapie in de Geriatrie.

 

Themroc
Dat, vooral in de winterdag, het zonnetje ruimhartig kan binnenpiepen om het ontbijt feestelijk te maken. De ruit vlekkeloos schoon, het spinnenweb laat ik ongerept, dat is juist zo mooi als de zon laag staat. De rest van het huis is minder belangrijk, zolang  het maar niet lekt en het me rugdekking geeft. Vandaaruit trek ik fluitend de woeste wereld in om een politieagent te verschalken, zoals in de film Themroc.
André Ravesloot

 

Kelder
De kelder in het grote huis van mijn ouders vond ik als kind geheimzinnig. Een steile houten wentel- trap leidde naar beneden. Ooit witgeverfd, nu afgesleten en stoffig. Op de bovenste treden bewaarden we in een rek de volle en halfvolle flessen melk: een koelkast hadden we in die tijd nog niet. Als je lager de trap afliep, rook je een schimmelige lucht van vocht en stof, allebei. Een deur met een matglazen ruit waar een barst in zat, en je kwam in de kelderruimte. Er was een lichtknopje dat moeilijk, en met een hoorbare klik, aanging. Hier bewaarden we de aardappelen in een grote stortbak van hout. En appels uitgespreid op een laag kranten werden er steeds rimpeliger. En er waren planken waarop lege wekpotten stonden, oude pannen die niet meer gebruikt werden. Achterin de kelder was een afrastering van latten, waar je tussendoor kon gluren, daar waren de rekken met wijnflessen, die eens in de zoveel jaar aangevuld werden na een bezoek bij een wijnhandelaar in Amsterdam. Er was ook en luik waardoor je onder het huis kon komen. Soms mocht ik daar, gewapend met een zaklantaren, samen met mijn vader in: als we ’s winters met vakantie gingen en er risico van bevriezing was, moesten de waterleidingen afgetapt worden. Dan kropen we samen op onze knieën door het zand. Het rook er –behalve naar stof en schimmel- ook naar beits: de houten vloerbalken waren vlak boven ons hoofd. Voor mij was het een spel om te bedenken onder welke kamer we precies waren.
Wouter van Wijk

 

Hoe doe je dat?
Hoe maak je van je woonkamer een plek van rust, van warmte? Hoe richt je een badkamer zo in, dat je lang in bad wil zitten, liefst met zijn tweeën? Hoe maak je van de keuken een plek niet alleen om te koken, maar ook om met vrienden te zitten. De pannen direct op tafel, een fles wijn zo uit de voorraad.  Hoe maak je van de slaapkamer een plek waar je ontspant na een gestresste vergadering, een boudoir als je met zijn tweeën bent. Hoe richt je kasten zó in, dat je ook de bandenplak-spullen kunt vinden en ook het hoesje voor je paspoort voor verre vakanties.  Hoe maak je een bibliotheek waar je graag naartoe gaat om een lekker boek te vinden, maar waar je ook zonder moeite dat studieboek vindt wat je nu eventjes nodig hebt. En die pc, hoe zit je daar ontspannen en lekker te werken, zonder pijn in je rug, je nek of je pols?
Warner van Wely